Het eindigt als kind

Het begint als kind. Deze aansprekende titel over Klee en Cobra stemt tot nadenken over het vervolg. Mijn blik in de verte laat zien dat er ook een andere zegswijze denkbaar is: Het eindigt als kind. Is deze aanname juist? Voor de kinderlijke kunstzinnige uitingen op latere leeftijd zijn er verschillende aanwijzingen. Ik kies gemakshalve drie invalshoeken: 1. Het gekozen werk van Paul Klee in het museum; 2. De gangbare ontwikkeling van de tekenvaardigheid; en 3. De kindse gedragingen van bejaarden.
1. Paul Klee in het museum
Als Paul Klee zijn vroegere kindertekeningen ontdekt, verandert dit dan zijn kunstuitingen? Krijgt zijn werk opeens een kinderlijke expressie? Nee. Wat Klee wel laat zien, is dat hij zich op latere leeftijd veel meer laat inspireren door primitieve uitingen. Wie de jaartallen van KIee’s werk in het Cobra museum turft, vindt een zeer opmerkelijke conclusie: Klee eindigt als kind!
Hier een overzicht van de verdeling.
1901-1905: 1 1911-1915: 3 1921-1925: 15 1931-1935: 17
1906-1910: 0 1916-1920: 7 1926-1930: 10 1936-1940: 91
Bijna de helft van de tentoonstelling is door Klee in zijn laatste levensjaren (1939-1940) gemaakt. Is dat toeval? Ik vermoed van niet.

2. Hoe verloopt de gangbare ontwikkeling van de tekenvaardigheid?
De opbrengst van mijn zoektocht naar de gangbare ontwikkeling van tekenen op latere leeftijd laat zien dat onderzoekers niet zo geïnteresseerd zijn in alledaagse artistieke uitingen. Hoe doorsnee volwassenen een menstekening maken is niet bekend. In het indrukwekkende boek van Richard Jolley (eerder in blog besproken ) staan verschillende figuren afgebeeld die een overzicht geven van de ontwikkelingen in tekenen. Het begint met vierjarigen en heeft als eindpunt de periode van volwassenen. Op mijn vraag aan Richard hoe oud de groep van ‘’adults” was, kreeg ik als antwoord dat dit studenten waren. Geen doorsnee groep dus. Hoe zullen tegenwoordig dertigers, veertigers, vijftigers, zestigers en bejaarden vrolijke of droevige mensen tekenen? Is de meerderheid verder gekomen dan het niveau van de achtste groepers?

3. Kinderlijk tekenen door bejaarden?
Wie wel eens rondloopt in zorginstellingen voor bejaarden ontmoet daar steeds vaker een ruimte waarin ouderen zich onder begeleiding van creatieve therapeuten kunnen uiten. Zullen onze opa’s en oma’s straks aantonen dat je op late leeftijd nog prachtige kunst kunt maken? Denk aan Grandma Moses die pas op de leeftijd van 78 jaar ontdekt wordt als kunstschilderes. Zij heeft haar hele leven geld verdiend als handwerkster. Als zij als gevolg van artritis noodgedwongen moet stoppen, gooit ze het roer om en begint ze rond haar zeventigste levensjaar met schilderen. Gedurende de daarop volgende 30 jaar (ze wordt 101 jaar oud) maakt ze maar liefst 3600 schilderijen, vooral over haar leven op de boerderij.
Ik hoop dat Grandma Moses in de nabije toekomst veel navolgers krijgt en wie weet komt er in Amstelveen ooit een nieuwe expostie met als titel: Het eindigt als kind.

Ad Dudink

Misvattingen over kindertekeningen

Het recente boek “Children & Pictures” (2010) van Richard Jolley geeft een goed overzicht van de psychologie over kindertekeningen. Heb de auteur daarom de volgende vraag gemaild.

Dear Richard,
First of all a lot of compliments for your book Children & Pictures. I enjoyed it. Just now I am helping a museum with an art project for children of elementary schools. I have to give a lecture for parents and teachers. I want to talk about some misunderstandings in the development of children’s drawings. My question: What is a main misconception in your opinion?

Zijn antwoord ontving ik iets te laat voor mijn lezing, maar gelukkig is er deze plek.

Dear Ad,
Thank you for your compliment about my book, it’s always gratifying when others find what one has written helpful.
I’m sorry I have not replied sooner to your email as you may have already given your lecture. Your question is an interesting one, and there are a number of ways of thinking about it. Here are some suggestions:
1. One myth is that drawing (and by extension art) is nothing more than an enjoyable activity that has no particular psychological or educational benefit for children. Although we desperately need more empirical research testing these benefits it is likely that drawing facilitates the child in a number of areas – (i) creativity and imagination, (ii) expression, (iii) observation skills, (iv) problem solving skills, (v) visual thinking. Like any activity drawing will involve the brain but it is likely that drawing stimulates certain areas of the brain that the other subjects they learn at school don’t (or much less so). Any school program that minimizes drawing and art will be providing a reduced learning experience for the child.
2. Interest in the development of drawing has been too focused on the development of representation at the expense of the expressive (mood, emotion, concepts, ideas) communication of drawings. This bias on ‘what is it’ (representation) is not only found in many parents (and some teachers, particularly those not trained in art) but in the psychology literature of drawing (although there have now been a few papers on children’s expressive drawing).
3. Following on from (2) there is a misconception that young (pre-school) children’s drawings are very creative/imaginative and that the aesthetic quality of their drawings decreases during the school years. This is a very romantic view of childhood. It has even led some parents to publicize and sell their young child’s art. Children are naturally creative but with support from teachers and parents they develop their creativity through drawing and art over time with experience.
4. Following on from (3) there is a misconception that we shouldn’t interfere with children in their drawing, that they will develop their drawing naturally. Coupled with this is the misconception that directed help impairs the development of children’s drawings. Children may be naturally creative but they need help in showing them how to be creative (and represent) using art materials. We know that humans have been making pictures for at least 40,000 years (as evidenced by our oldest cave paintings), so it would be unreasonable to expect children to make their own way without us passing down our cultural knowledge gained through all these thousands of years.
Hope that helps!
Best wishes,
Richard

Ad: Mag ik je opvatting citeren in het Klee-blog? Richard: Tuurlijk, je gaat je gang maar!

Klee en Candide

Klee en Candide
Wat gebeurde er een eeuw geleden? Deze vraag vormt in de museumwereld vaak de aanzet voor een nieuwe tentoonstelling. Welke huidige gebeurtenissen zullen over honderd jaar herdacht worden? Geen idee. Daarom nu terug naar het verleden en de blik richten op Paul Klee in 1912. Waar is hij mee bezig en wat beweegt hem?
In februari vindt de tweede en laatste tentoonstelling plaats van de “Blaue Reiter”. Klee presenteert zijn werken samen met andere kunstenaars die straks wereldwijd doorbreken. Denk met name aan: Kandinsky, Marc, Braque, Malevich en Picasso. Paul is in die tijd meer tekenaar dan schilder. Hij kent en bewondert zijn vreemde collega Alfred Kubin die hem in januari 1911 aanmoedigt om zijn plannen rondom Candide uit te voeren. Candide? Ja, de bekende hoofdpersoon uit de bestseller die Voltaire op AOW leeftijd schreef.
Terzijde: Onlangs vroeg ik aan mensen uit mijn omgeving: Heb je wel eens van Voltaire gehoord? Weet je wat hij deed en wanneer hij leefde? Mijn vragen leverden verrassende antwoorden op.
Zoals ongetwijfeld bekend leefde François-Marie Arouet van 1694 tot 1778. En, Voltaire is zijn schuilnaam. Ik weet bijna zeker dat Klee veel van zijn werk bestudeerd heeft. Zo rond zijn bruiloft zegt een vriend van Paul: Dit moet je lezen. In de afgelopen weken heb ook ik dit opzienbarende verhaal over Candide twee keer gelezen. Natuurlijk ging mijn interesse uit naar de bijzondere illustraties die Klee heeft bedacht. Dat is zeker geen gemakkelijke klus geweest. De 26 tekeningen in mijn boekje (1975) zijn niet gemaakt door de opdracht van een uitgever. Nee, Paul zelf wil het fantastische verhaal van Voltaire in magische beelden vangen. In zijn dagboek bekent hij dat vader Voltaire hem een beter zelfbeeld heeft gegeven.
De Nederlander Martijn is een van de sleutelfiguren in het boek. De rode draad vertelt een humoristische bespiegeling over het geloof in de vooruitgang. Dit optimistische wereldbeeld is een schijnvertoning. Zo trouwt Candide uiteindelijk toch met de vreselijk lelijke vrouw waarop hij ooit verliefd is geworden als ze nog een aanlokkelijk zeventienjarig meisje is. Gelukkig voor Candide kan zijn “geliefde” wel lekkere taarten bakken. Want waar gaat het uiteindelijk om in het aardse leven?
Zoals gezegd begint Klee in 1911 met zijn schetsen en pas in 1912 is hij er klaar mee. Dus een jaar bezig geweest met de filosofie van Voltaire in het achterhoofd. Acht jaar later is er gelukkig een uitgever die interesse heeft. Dit gebeurt overigens tegen de zin van François-Marie. “Ik wens geen illustraties bij mijn verhaal over Candide!’’ Dat deze wens niet in vervulling is gegaan, leren de vele afbeeldingen die met behulp van even Googlen makkelijk zichtbaar worden.
Heeft Voltaire bij Klee een eeuw geleden ook het belang van het kind wakker geschud? Mogelijk. Kandinsky en de Blauwe Ruiter zullen zeker een grotere rol gespeeld hebben. In elk geval schrijft Paul in dat jaar zijn meest geciteerde zinnen: Lache nicht Leser! Die Kinder können es auch und es steht Weisheit darin, dasz sie es auch können. Je hilfloser sie sind, desto lehrreichere Beispiele bieten sie uns. Het begint als kind, aldus de zegswijze van nu.
Ad Dudink

Cobra Werkschuit

Tijdens mijn lezing op 11 februari in het Cobra Museum, heb ik even aandacht besteed aan de vroegere werkschuit. Moderne kunstenaars beschouwen deze schuit als een ideale plek om de vernieuwing van kunstonderwijs uit te dragen. Het is zeker niet toevallig dat de oprichting van deze opzienbarende werkgemeenschap plaats vindt in de Cobraperiode. Op 15 april 1950 wordt de boot bij de Magere Brug, tegenover Carré, plechtig geopend. Drie dames spelen daarbij een hoofdrol: Ina, Brecht en Maria. Ina van Bladeren heeft haar schilderij van Cézanne verkocht aan het Stedelijk Museum. Voor 175.000 gulden kon je toen een oud zandschip laten verbouwen tot een atelier voor jonge kunstenaars.

Brecht Willemse zal lange tijd een leidende rol spelen in de beeldende vorming onder de vlag van de werkschuit. Ze laat zich typeren in vele rollen waaronder dochter van kapitein, verzetsheldin in de oorlog, montessorileidster, en geroyeerd kamerlid. Een wonderbaarlijke vrouw die in haar schuitperiode er alles aan gedaan heeft om ‘kind en kunst’ op de publieke agenda te krijgen.
Maria Montessori is tot verrassing van veel van haar volgelingen ook bij de opening aanwezig. Haar keelklachten verhinderen haar een toespraak te houden, maar zoon Mario laat geen misverstanden over Maria’s enthousiasme voor het initiatief van de schuitgroep. Is de houding van Maria veranderd? Sommige volgelingen van haar laten kritische geluiden horen over de naoorlogse Cobrakunstenaars die in de natuurlijke expressievorm van kinderen een bron van inspiratie zien. In haar wereldberoemde boek over haar visie op onderwijsvernieuwing schreef Maria: Wij stellen vast dat onze kinderen niet die afschuwelijke tekeningen maken die in moderne vooruitstrevende scholen soms zo toegejuicht en tentoongesteld worden. Wij geven onze kinderen alleen voorbereidende expressie oefeningen.
Nog een vierde naam. Als er iemand is geweest die Klee, Cobra en kindertekeningen op de kaart heeft gezet, dan is het de voormalig directeur van het Stedelijk Museum (1945-1962). Bedankt Willem, schrijft Karel Appel in 1954 vanuit Parijs. Willem Sandberg stimuleert dat Karel zijn eerste expositie krijgt in de Franse hoofdstad. In zijn eigen museum laat hij regelmatig zien dat het werk van de schuitkinderen een tentoonstelling waard is. Als bestuurder met een breed netwerk blijft hij zich tot op late leeftijd inzetten om de moderne kunsten toegankelijk te maken voor een breed publiek. Ook de werkschuitmedewerkers ervaren zijn stimulerende rol.

Een opmerkelijke gelijkenis met het kunstonderwijs aan de Amstel komt vanuit de Italiaanse stad Reggio Emilia. In deze regio is in de naoorlogse jaren een creatieve werkwijze ontwikkeld die nog steeds wereldwijd in de belangstelling staat. De “Reggio Emilia” aanpak in vele peuterspeelzalen en basisscholen benadrukt de vele talen waarin het kind kan communiceren. Kinderen uiten zich op honderd manieren, aldus psycholoog en grondlegger Loris Malaguzzi. Evenals bij Jan Ligthart beschouwt hij de natuurlijke omgeving als een zeer belangrijke factor voor de ontwikkeling. Open staan voor de natuur vraagt om een ander uitzicht en een andere manier van lesgeven. Het zijn de medeleerlingen van het kind die de rol spelen van primaire pedagogen. Ouders, leerkrachten en kunstenaars komen op de tweede plek. Of de Italiaanse Emilia even invloedrijk wordt als het gedachtegoed van Maria? Ik aarzel, mi scusi.
Terzijde. Bloggen over de geschiedenis van de werkschuit ontkomt niet aan de volgende verwijzing: http://www.taalvormingentaaldrukken.nl/ATG/ATG1950.htm
In de loop der jaren is het begrip werkschuit een drijfveer geworden voor onderwijsvernieuwing vanuit een kunstzinnig perspectief. Ik bewonder al die gedreven mensen die de waarde van de kunstwereld niet onder stoelen of banken steken. Het zou fantastisch zijn om een Cobraschuit te vaart te laten bij het museum? Realiteit of droom? Tja, de tijd zal leren of deze wens in vervulling gaat. Maar, hoop doet leven!
Ad Dudink (zaterdag 18 februari)

Expressief of conventioneel?

Schoolkunst, thuiskunst en de beoordeling van kindertekeningen. Prof. dr. Folkert Haanstra zal op zaterdag 10 maart in het Cobra Museum uitgebreid ingaan op schoolkunst en thuiskunst. Dat wat leerlingen op school maken in hun lessen beeldende vorming wordt wel aangeduid met ‘schoolkunst’. De beeldende producten die leerlingen thuis maken (‘thuiskunst’) zien er, onder invloed van strips en games, vaak anders uit.  Wat zijn de kenmerken van die thuiskunst en wat vinden leerlingen mooier: dat wat ze thuis maken of wat ze op school maken? En hoe beoordelen kunstdocenten de tekeningen van kinderen? Volgens de Amerikaanse psychologen Howard Gardner en Ellen Winner zijn er kwalitatieve overeenkomsten tussen de expressieve tekeningen van kleuters en het werk van professionele kunstenaars. Als kinderen ouder worden gaan ze conventioneler tekenen en neemt de kwaliteit van hun beeldende werk af. Slechts bij een minderheid is er later weer vooruitgang in de beeldende uitingen en kan men spreken van een U-vormige ontwikkeling. Maar is dat een algemeen geldig patroon of ligt dit aan de voorkeuren van kunstexperts, die zijn beïnvloed door de moderne kunst (zoals van Cobra)? Wat als kinderen en hun ouders tekeningen beoordelen?

Creatieve tijd

“Hoe is uw interesse in creativiteit begonnen?” De Engelse vertaling gaat per post richting Beverly Hills in California. Drie weken later ontvang ik het antwoord per brief. “Aan het eind van mijn studietijd heb ik veel IQ testen afgenomen bij kinderen. Ik verbaasde me dat geen van die vragen een beroep deed op inventiviteit. De tweede impuls kwam later toen een collega professor in de journalistiek me vroeg: Wat weten jullie psychologen eigenlijk over creativiteit? With much chagrin, I had to say we knew nothing. “
Pas in 1950 durft J.P. Guilford de aftrap te geven met zijn artikel in American Psychologist. De titel is eenvoudig: Creativity. Een verwante aftrap in hetzelfde jaar vindt plaats in Amsterdam. Daar opent het Stedelijk museum een expositie over nieuwe stromingen in de beeldende kunst. CoBrA kunstenaars als Karel Appel laten zien dat kinderen een voorbeeldige inspiratiebron zijn. In de eeuw van het kind ontdekken veel kunstenaars de spontane uiting in kindertekeningen. De expressie op jonge leeftijd is nog niet misvormd door allerlei culturele conventies. De revolutie in de beeldende vorming toont zich al nadrukkelijk in de twintiger jaren. Figuren als Picasso, Kandinsky en Klee zullen later wereld beroemd worden. Hun jonge tijdgenoot Vygotsky is bezig met zijn proefschrift Psikhologiia Iskusstva. Ja, de studie van deze Russische Grootmeester gaat over de psychologie van de kunst. Zijn laatste zin lees je tegenwoordig zelden: “Zonder nieuwe kunst kan er geen nieuwe mens ontstaan.”
Terzijde: De eeuw van het kind ligt al 12 jaar achter ons. Welke huidige kunstenaars zullen straks beseffen dat ze nu leven in de eeuw van de bejaarden? Jammer dat de zwanenzangen van de leeftijdgenoten van Grandma Moses alleen in verpleeghuizen aan de wand hangen.
Helaas is de interesse voor de psychologie van de kunst al weer lange tijd verstomd. In onze huidige tekstboeken valt het onderwerp buiten beschouwing. Hoe kan dat toch? Zeker in een jaar dat schreeuwt om creatieve oplossingen voor onze wereldproblemen zou men verwachten dat de eigenschappen van de creatieve mens bovenaan het verlanglijstje van de regering staan. Geen sprake van. De voetsporen van Guilford zijn verzand en vrijwel geen enkele praktiserende psycholoog onderzoekt de creativiteit van de cliënten. Diagnostische instrumenten daartoe ontbreken. Onze nationale IQ test doet geen beroep op creatieve antwoorden. De Citotoetsen evenmin. Vaardigheden die iets vertellen over ons Creativiteits Quotient (CQ) liggen nog steeds in de vrieskast en moeten nog ontdooid worden. Natuurlijk schrijft een student af en toe een masterthese over het onderwerp, maar deze uitzonderingen verdwijnen in de doofpot.
Is er hoop op een verandering? Leven we in 2012 in een creatieve tijd? Leren straks alle psychologiestudenten kijken door een creatieve bril? Onlangs heeft het CoBrA museum in Amstelveen misschien een aanzet gegeven. In samenwerking met de UvA is dit jaar een project van start gegaan over de invloeden van kunstzinnige vorming in het basisonderwijs. Wie iets wil proeven van onze kunstzinnige pogingen kan in de komende maanden verrast worden in het CoBra museum. De nieuwe expositie van Paul Klee heeft mogelijk een creatieve uitstraling.
Guilford eindigde zijn brief met de opmerking: I shall be interested in how you boil down all the responses you receive. Ik durf nu te bekennen dat ik toen nooit aan deze column heb gedacht.
Ad Dudink